Op de vleugels van het gebed

– Een dagelijks gebed voor Gods aangezicht –

Wat kunnen onjuiste gedachten ons belemmeren om U te vinden of om verder te komen in de omgang met U, hè Heer. Het is natuurlijk veelzeggend dat U het in Uw Bijbel hebt over metanoia (=bekering), “veranderen van gedachten”, “anders gaan denken”.

Wat heeft het U een moeite gekost mijn blik naar buiten, naar boven, naar Uzelf gericht te krijgen.

Mij was zo geleerd dat het ging om kennis van het slangengif dat door mijn aderen kroop, dat Uw Geest eraan te pas moest komen om mij langzamerhand het hoofd te doen opheffen om gelovig te kijken naar de koperen slang, die als remedie tegen slangengif door Uw Vader in de woestijn verhoogd was, als beeld van U, Here Jezus.

Dank U, dat U ons dat leert: metanoia, anders gaan denken. Eenvoudig en in geloof zien op U, als de Heer, mijn Verlosser, mijn Vriend. Zoals U het die nacht tegen Nicodemus zei: “En zoals Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zo moet de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft”. (Johannes 3: 14 en 15).

“Denk niet aan de zonden uit mijn jeugd”, bidt David U. Wat geldt dat voor ons allemaal, hè Vader.

Wat zo klein begint, kan ons helemaal van U wegvoeren. Ik weet nog dat ik als klein mannetje een poosje vriendjes was geworden met een jongetje dat er maar op bleef aandringen dat ik een fles wasbenzine zou stelen uit het magazijn achter onze kruidenierswinkel. Hij had lucifers, en dan zouden we een prachtig  vuur kunnen bouwen op ons plekje dat niemand wist. Ik bezweek uiteindelijk voor zijn aandrang, U weet het. En het vuur dat ontbrandde – omdat ik niet betrapt werd, en niet beleed – was dat jaren later, gedurende mijn schooltijd in het voortgezet onderwijs, ik, zonder enige merkbare moeite met mijn geweten, een dief werd van boeken en cassettebandjes. Maar U liet Uw oog niet los van mij, genadige God. En toen ik U begon te zoeken, liet Uw Geest in mij het besef groeien dat al het gestolene, bij al die winkels, terugbetaald moest gaan worden, wilde U met mij verder gaan. En de dag kwam dat ik terugging, en beleed, en betaalde. En U verheugde Zich, en leidde mij verder.

We hebben allemaal zo onze eigen ontsporingen, hè Heer. Geef ons de genade, en help ons, om te belijden, voor U en degenen die het aangaat, en goed te maken wat goed gemaakt moet worden, en nog goed gemaakt kan worden.

In dankbare herinnering aan  wijlen Teus Schep